Begrippen

Deze webpagina van “lastige” begrippen in RainTools. Soms zijn deze begrippen eigen aan de software om een onderscheid te kunnen maken in verschillende soorten waterstromen en bergingscomponenten in de waterbalans.

  • vochtberging en oppervlakteberging
    De vochtberging is een waterberging die alleen geledigd kan worden door verdamping. Dit type berging is belangrijk om te gebruiken voor doorlatende oppervlakken die ook oppervlakteberging hebben. De oppervlakteberging wordt hoofdzakelijk geledigd door infiltratie naar de ondergrond. Oppervlakteberging wordt ook geledigd door verdamping als het oppervlak ondoorlatend is.
    Zonder vochtberging zou bijna al het water op een doorlatend oppervlak infiltreren naar de ondergrond omdat die capaciteit veel groter is dan van de verdamping. Vooral op begroeide doorlatende oppervlakken is dat geen realistische aanname.
    in het NWRW 4.3 inloopmodel ontbreekt de term vochtberging. In dat inloopmodel was verdamping van oppervlakken via de vochtberging minder belangrijk.
  • infiltratiecapaciteit en ledigingscapaciteit
    Bij het infiltreren van regenwater via een oppervlak of een voorziening hebben we te maken met 2 verschillende doorlatendheden:
    1) door de toplaag of vanuit het element naar het cunet en
    2) vanuit het cunet naar de ondergrond.

    In RainTools worden verschillende termen gebruikt voor deze waterstromen, om deze in de waterbalans-resultaten te kunnen onderscheiden:
    1) voor de lediging van de toplaag naar het cunet gebruiken we de term ledigingscapaciteit en
    2) voor de lediging van het cunet naar de ondergrond gebruiken we de term infiltratiecapaciteit.

    Infiltratie vindt dus plaats vanuit het cunet van de voorziening of het cunet onder de toplaag naar de ondergrond. De lediging is vindt plaats binnen de voorziening of van toplaag/element naar het cunet, als een inwendige waterstroom.
  • cunet
    Het cunet is eigenlijk een funderingslaag onder een verhardingslaag of rondom een voorziening. Het cunet bestaat in principe uit grof materiaal met een hoge doorlatendheid (5 – 10 m/dag) en een porositeit om water te kunnen bergen.
  • verdampingsfactor
    De verdampingsfactor kan worden opgegeven aan alle lagen die (bovengrond) zijn blootgesteld aan atmosferische omstandigheden. Een verdampingsfactor gelijk aan 1 betekent dat wordt gegaan van de gemiddelde verdamping die is opgegeven bij de gekozen buien en neerslagreeks. Een factor < 1 betekent tragere verdamping en factor > 1 betekent een snellere verdamping dan het gemiddelde.
  • uitwisselen en overlopen
    Het verschil tussen deze termen is een nuance. Met overlopen wordt gerekend bij voorzieningen/elementen zoals rioolstelsels, infiltratievoorzieningen en daken(lagen). Uitwisselen vindt vooral plaats tussen grondoppervlakken. Bij het uitwisselen tussen grondoppervlakken wordt gerekend met een overlaatformule waarvoor een overlooplengte moet worden opgegeven.
    In de wijktegel wordt ook gerekend met doorlaten en een doorlaatformule. De overstort van een rioolstelsel wordt daarin geschematiseerd als een doorlaat evenals de doorlaatopening van een dakafvoer.
  • bouwpeil
    Voor een gebouw onder een dak kan een bouwpeil worden opgegeven. Het bouwpeil is het niveau van de drempel van het gebouw en is feitelijk het niveau van water op straat voor de oppervlakken rond het gebouw. Stijgt het water op straat hoger dan het bouwpeil dan loopt het gebouw onder.
  • water op straat niveau
  • referentie oppervlak
  • oppervlak / afvoerend oppervlak